Historisch overzicht van het Pausdom Deel 2

  • Home
  •  / 
  • Artikels
  •  / 
  • Historisch overzicht van het Pausdom Deel 2

Pausdom: haar natuur en doel

Als overblijfsel van middeleeuwse tirannie is het Pausdom het bolwerk en het fundament van de Kerk van Rome. Het is ook de trots en de vreugde van devote katholieken. Zij zijn er zeker van dat het hen een directe link geeft naar Jezus Christus. En in deze laatste dagen lijkt de wereld zijn liefde voor het Pausdom opnieuw te hebben aangestoken. Tegen de stem van de Schrift, de geschiedenis en de rede in, verklaart het Pausdom dat haar Kerk gefundeerd is op de apostel Petrus alleen. Zij zeggen dat hij de eerste bisschop van Rome was en dat hij daarom al zijn gezag heeft nagelaten aan de Pausen en bisschoppen. Officieel zegt de Kerk van Rome:

“De Heer heeft alleen van Simon, aan wie Hij de naam Petrus (“rots”) gaf, de rots van zijn kerk gemaakt. Hij heeft hem de sleutels ervan overhandigd; Hij heeft hem aangesteld tot herder van heel de kudde … Deze pastorale taak van Petrus en de andere apostelen behoort tot de fundamenten van de kerk, Zij wordt voortgezet door de bisschoppen onder het primaatschap van de Paus”[1]. De hele structuur van de Katholieke Kerk is gebaseerd op drie valse vooronderstellingen:

  1. Dat Mattheüs 16:16-20 betekent dat Petrus het fundament is van de Kerk; dat de Kerk ophem gebouwd is;
  2. Dat Petrus naar Rome ging en de eerste bisschop van Rome was;
  3. Dat Petrus’ opvolgers de bisschoppen van Rome zijn onder het primaatschap van de Paus.

(Het is niet onbelangrijk hier op te merken dat de lijst van Pausen, uitgedokterd door Rome, een fabel is. In zijn bescheiden aanvang werd de Kerk te Rome geleid door een meervoudigheid van oudsten, en niet door een enkele bisschop).

Vooronderstelling 1:De Heer maakte Simon – die Hij Petrus noemde – alleen de “rots” van Zijn Kerk, dit wil zeggen het fundament van Zijn Kerk

“En Simon Petrus, antwoordende, zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is. En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus[2], en op deze petra[3] zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn. Toen verbood Hij Zijn discipelen, dat zij iemand zeggen zouden, dat Hij was Jezus, de Christus”. (Mattheüs 16:16-20).

Hier wordt ons geleerd dat, wat ook de tijdgenoten mogen begrepen hebben wie of wat Christus is, de discipelen een duidelijke kennis van Hem hadden. Dit werd zonder aarzeling uitgedrukt door Petrus, namens hen. De Heer schrijft deze intuïtieve kennis, dat Hij “de Christus, de Zoon van de Levende God” is, toe aan openbaring door Zijn Vader in de hemelen. Het is nu deze door de Vader geopenbaarde Christus die de rots of funderingssteen zou worden waarop de Kerk moest gebouwd worden. Tot besluit “verbood Hij Zijn discipelen, dat zij iemand zeggen zouden, dat Hij was Jezus, de Christus”.

De zienswijze aanhouden dat Petrus zélf de rots is, is een vrijwillige verdraaiing van de ware betekenis van Jezus’ eigen woorden. De gevolgtrekking maken dat de Kerk zou gebouwd worden op louter een mens, en niet op Gods openbaring van Jezus als “de Christus, de Zoon van de levende God”, is de leer van Christus beledigen en het Woord van God verdraaien.

Petrus kon onmogelijk het fundament zijn. Hij werd “Satan” (= tegenstander) genoemd door de Heer Zelf[4], en later werd hij formeel berispt door Paulus[5] voor het in opspraak brengen van de Evangelieboodschap.

De Heilige Geest bevestigde de ware betekenis van het vers door de aard van de Griekse tekst. Het woord voor Petrus in het Grieks is petros. Het is mannelijk van geslacht en betekent een stuk rotssteen. In contrast hiermee is het woord voor rots petra. Het is vrouwelijk van geslacht en beschrijft een vast gesteente, massief, groot, en onbeweeglijk. De Kerk werd dus gefundeerd op een massief gesteente, niet op een stuk steen. Dit vaste gesteente is de door de Vader geopenbaarde Christus.

Overeenkomstig deze openbaring werd aan Petrus de boodschap van vers 19 gegeven: “Ik zal u geven”, dat is aan Petrus persoonlijk, “de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen”. Deze profetische uitspraak van de Heer werd letterlijk vervuld toen via Petrus dezelfde openbaring werd gegeven aan de Joden: “Zo wete dan zeker het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die gij gekruisigd hebt” (Handelingen 2:36), en nadien aan de heidenen (Handelingen 10:34-44). De kracht van de sleutels betrof de ontsluiting van dezelfde openbaring van de Persoon van Christus, voor enerzijds de Joden en anderzijds voor de heidenen. Dit werd uitgevoerd door Petrus en door hem alleen. Deze opdracht kan niet meer herhaald worden vermits er slechts één eerste ontsluiting was van het Koninkrijk der hemelen, voor zowel Joden als heidenen.

Het tweede deel van vers 19 was een opdracht voor de verantwoordelijkheid van het binden en ontbinden. Dit betreft de kerkdiscipline en die opdracht werd eveneens gegeven aan de andere apostelen, zoals gezien wordt in Mattheüs 18:18. De hele kern daarom in Mattheüs 16:16-20 ligt in de Goddelijkheid van Jezus als “de Zoon van de levende God”, en Zijn rol als Messias of Christus, de Rots waarop de Kerk is gebouwd.

De dwaze aanspraken op een Pontifex-christus

De Rooms-katholieke kerk misbruikt en verdraait de tekst van Mattheüs 16:16-20 om te zeggen dat Petrus, als eerste Paus, de goddelijke eigenschap had van onfeilbaarheid, en dat hij als Christus is met de titel: “plaatsvervanger van Christus”.[6]

Dit is even absurd als dat de Heer zou gezegd hebben dat Petrus ook “de Zoon van de levende God” was, en “de Christus”. Maar Rome zal zeggen: “Nee! Zoiets beweren wij niet”. Zij mogen dat dan wel niet zo onder woorden gebracht hebben, maar hun doctrine laat dit wèl zo verstaan. De leer dat Jezus “de Zoon van de levende God” en “de Christus” is, toepassen op Petrus en zijn zogenaamde opvolgers de Roomse Pausen, is tegelijk een belachelijke én afgrijselijke gedachte omtrent de ambten van de Heer. Dat is precies wat de Rooms-katholieke kerk doet. Bovendien maakt zij niet enkel aanspraak op het goddelijke kenmerk van onfeilbaarheid voor hun Paus – haar equivalent van “de Zoon van de levende God” – zij decreteert ook dat de Paus rechtens “Allerheiligste Heer”[7] en “Heilige Vader”[8] genoemd wordt. Daarmee eigent de Roomse Kerk zich wederrechtelijk de titel van de eerste persoon van de Drie-eenheid toe.

Christus’ macht en deze van de Pontifex-christus

Jezus als de Christus heeft volle, opperste en universele macht. Dit voorrecht is alleen het Zijne, en elke aanmatiging van iemand anders is afschuwelijk en verachtelijk. Maar de Kerk van Rome bloost niet wanneer zij aanspraak maakt op dezelfde macht als deze die uitsluitend Christus toebehoort, want: “De Paus van Rome immers heeft, juist krachtens zijn ambt als plaatsvervanger van Christus en herder over de gehele kerk, de volledige, hoogste en universele macht, die hij altijd vrij kan uitoefenen”[9].

Vermits Jezus Christus de ware Zoon van God is, is het voor elk menselijk schepsel noodzakelijk om in geloof en praktijk aan Hem onderworpen te zijn. Maar dat is iets wat Rome weglegt voor haar Opperste Pontifex, de Paus: “Bovendien, wij verklaren, wij kondigen af, wij bepalen dat het absoluut noodzakelijk is voor de behoudenis dat elk menselijke schepsel onderworpen is aan de Roomse Pontifex”[10].

De volheid van de genade en waarheid behoren Christus toe, wiens natuur Goddelijk is. “De genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden” zegt Johannes, “en uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade”[11]. Gelovigen ontvangen genade voor genade, maar de echte bron ervan – de volheid van genade en waarheid – behoort Christus alleen toe[12]. Alles wat vóór Christus kwam was slechts zinnebeeldig, als type of model, en alles wat ná Hem komt is slechts een afstraling van de heerlijkheid die alleen de Zijne is.

De machtshonger van de Paus is niet gestild met de wederrechtelijke toe-eigening van de opperste en universele macht over de hele Kerk; de Paus beweert ook dat zijn Kerk toebedeeld is met de volheid van genade en waarheid. Dat is het officiële woord van het katholieke dogma dat deze zaak regelt,[13] [9] en het mag niet tegengesproken worden. De Farizeeën zeiden nog “Wie kan de zonden vergeven, dan alleen God”, maar de Roomse Kerk van de Pontifex-christus kan dat zèlf: “Er is geen enkele zonde, hoe zwaar ook, of de heilige kerk kan haar vergeven”.

Beledigend en pretentieus als deze beweringen zijn, gaat de Paus nog verder en beweert hij in de tijdelijke wereld de macht tot oordelen te bezitten. Dit slaat zelfs op hen die de hoogste civiele ambten bekleden in een staat. Huidige katholieke wetten beweren zonder verontschuldiging: “enkel de Roomse Pontifex bezit het recht om te oordelen: 1° Staatshoofden; 2° Kardinalen; 3° Legaten van de Apostolische Stoel en, in strafrechtelijke gevallen, Bisschoppen; 4° andere gevallen die hij heeft voorbehouden voor zichzelf”.[14]  Dit gaat recht tegen Christus in, die nadrukkelijk zei: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld”[15]. Er was iemand anders die beweerde dat de koninkrijken van deze wereld de zijne waren, waarmee hij kon doen wat hij wilde – wij zouden er goed aan doen de Pauselijke pretenties te beantwoorden met wat Jezus zei: “Ga weg, Satan”![16]

Het eindresultaat van Rome’s interpretatie van wat Christus tot Petrus zei, is de creatie van een Pontifex-christus die beweert “De Heilige Vader” te zijn, met inerrant, onfeilbaar leergezag, en dat over alle schepselen in zowel het geestelijke als het tijdelijke rijk. Zo een absurde positie-toeëigening werd door de apostel Paulus voorzegd, toen hij profeteerde: “de mens der zonde, de zoon des verderfs; die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, alzo dat hij in de tempel Gods als een God zal zitten, zichzelf vertonende, dat hij God is”[17] . In plaats van “de Christus, de Zoon van de levende God” werd de Pontifex-christus verheven, de zoon des verderfs. Het Pausdom, in zijn ambt en wezen, betuigt een compleet substituut te zijn voor de ware Christus en Zijn werk. Het moet daarom ontmaskerd en aangeklaagd worden, in overeenstemming met de Heilige Schrift, als zijnde de zetel van de Antichrist[18].

Vooronderstelling 1, dat de Heer enkel Petrus als de “rots” van zijn Kerk maakte, is een bewezen leugen. Maar ook de superstructuur van elkaar opvolgende onfeilbare Pontifex-christussen, met hun opperste en universele macht, is een bewezen eeuwenoude Satanische pretentie. Dit komt overeen met de Antichrist in Openbaring 17, de hoer Babylon, de geestelijke zetel van de arrogantie, onderdrukking en trots.

Vooronderstelling 2. Dat Petrus naar Rome ging en hij de eerste bisschop was in Rome

De Schrift zegt helemaal niets over een vertrek van Petrus naar Rome. Zijn bezoeken aan Samaria, Lydda, Joppe, Caesarea en Antiochië zijn zorgvuldig opgetekend. Maar er wordt gewoon geen melding gedaan van een vertrek naar Rome, wat essentieel is om de Rooms-katholieke positie te ondersteunen. De Heilige Geest zou zo’n essentiële gebeurtenis zeker niet overgeslagen hebben in het geïnspireerde Woord. In zijn brief aan de Romeinen brengt Paulus geen groet over aan Petrus, terwijl hij velen groet in de kerk te Rome. Toen dezelfde apostel Paulus zelf in Rome was, onder het bestuur van keizer Nero, maakte hij niet ééns melding van Petrus, in geen enkele van zijn brieven aan de gemeenten en aan Timotheüs, alhoewel hij vele anderen gedenkt die met hem in de stad waren. Deze Rooms-katholieke veronderstelling is een gissing, niet iets dat voortkomt vanuit de basis van het geloof: het geschreven Woord Gods. De tweede vooronderstelling van de Roomse kerk is daarom pure misleiding.

Vooronderstelling 3:Dat de opvolgers van Petrus bisschop van Rome zijn, onder het primaatschap van de Paus

In de Schrift wordt geen melding gemaakt van enig opvolgerschap van Petrus, noch van de apostelen. De criteria voor apostelschap zijn gegeven in Handelingen 1:21-22[19]. De positie van de apostelen was uniek, allen direct gekozen door Jezus Christus, met geen enkele hint naar opvolging. In het Nieuwe testament stelden de apostelen oudsten aan en diakenen en niet een lijn van apostelen.

Niettemin tracht de Rooms-katholieke kerk haar positie te verdedigen op de grond van persoonlijke opvolging vanaf de apostelen. Maar indien we genoodzaakt zouden zijn een “apostolische successie” in ontvangst te nemen, dan zijn de wáre opvolgers[20] van de apostelen zij die “volharden in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden”[21] . Wanneer echter dit leerstellig fundament vernietigd is, spreek dan niet van “apostelen” maar van “apostaten” (afvalligen). “Apostolische successie” zonder apostolische leer is fraude. De echte wortels van het Pausdom zijn die van de Romeinse keizer en niet de Heer Jezus Christus. De Heer beval ons: “De koningen der volken heersen over hen; en die macht over hen hebben, worden weldadige heren genaamd. Doch gij niet alzo; maar de meeste onder u, die zij gelijk de minste, en die leidsman is, als een die dient”.[22] Christus verwierp absoluut alle dominantie in Zijn koninkrijk. Dezelfde veroordeling van wereldlijke praktijken werd herhaald door de apostel Petrus: “Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover, niet uit dwang, maar gewillig; noch om vuil gewin, maar met een volvaardig gemoed; noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde”. De Rooms-katholieke kerk is niet de opvolger van Petrus, maar eerder van het Romeinse Rijk, zoals haar hiërarchie en totalitair bestuur dat aantonen.

Conclusie

In het boek Openbaring portretteert de apostel Johannes het vierde, of tienhoornige beest dat het Romeinse Rijk voorstelt. Het Pausdom behoort bij het tweede of ecclesiastische stadium van het Romeinse Rijk.  In hoofdstuk 17 draagt dit tienhoornige beest een mystieke vrouw, “bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud, en kostelijk gesteente, en paarlen, en had in haar hand een gouden drinkbeker, vol van gruwelen, en van onreinheid van haar hoererij. En op haar voorhoofd was een naam geschreven, namelijk Verborgenheid; het grote Babylon, de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde. En ik zag, dat de vrouw dronken was van het bloed der heiligen, en van het bloed der getuigen van Jezus”.

De vervulling moeten we nergens anders zoeken dan in het Pauselijke Rome. Zij is de enige Kerk die ook een stad is, een civiele staat die ook op zeven heuvels zit. Haar officiële kleuren zijn scharlaken (rood) en purper. Gedurende 605 jaren schroeiden de vuren van haar inquisitie elk land van Europa. Deze jaren van wreedheid en foltering komen alleen op haar naam, en op niemand anders. Zij voerde oorlog tegen de heiligen, overwon hen, roeide hen uit, en zou hen haast allen hebben uitgeroeid, maar de steunende hand van de Heer was op hen.

“De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit”

Bij de zeven bergen denkt men bijna algemeen aan Rome. Het stond in de oudheid bekend als “de stad met de zeven heuvels” (urbs septicollis). Zo wordt Rome in proza en poëzie aangeduid.

Die zeven heuvels heten: Aventinum, Caelius, Capitolinus, Esquilinus, Palatinus, Quirinalis, Viminalis. Hiernaast aangegeven met blauwe cirkels (het Vaticaan ligt linksboven, aan de westelijke oever van de Tiber). Deze heuvels zijn tussen 45 en 65 m hoog (Encarta 2002).

De keizerlijke munt (Sestertius) van Vespasianus (69-79 nC), uit ca 71 nC en geslagen te Tarraco,  heeft aan de achterzijde de godin ‘Dea Roma’, gezeten op zeven bergen/heuvels28. Hieronder een foto ervan. De munt bevindt zich in het British Museum. Dan moet de vrouw op het zevenkoppig beest een verwijzing zijn naar Rome dat op zeven bergen ligt.

 

 

Inscriptie aan de voorzijde:

IMPERATOR CAESAR VESPASIANVS AVGVSTVS PONTIFEX MAXIMVS

TRIBVNICIA POTESTATE Pater Patriae CONSVL III

 

 

De huidige Paus, Johannes Paulus II, zal zich spoedig terugtrekken of sterven, zodat er een nieuw hoofd kan regeren die de religieuze wereld kan misleiden. Het is nu niet de tijd voor heimelijke fluisteringen, maar om van het van de daken te schreeuwen: “VERBORGENHEID, HET GROTE BABYLON, DE MOEDER DER HOERERIJEN EN DER GRUWELEN DER AARDE”.31

Maar de macht van de Paus is er ook op wereldlijk en politiek vlak, met ambassadeurs, civiele concordaten, civiele rechten, machten, onroerend goed, onderwijs, medische instellingen en handel, die een bedreiging kunnen vormen voor de politieke vrijheid van een natie.[20]

Geloof in Christus en geloof in de Pontifex-christus zijn twee tegenover elkaar staande, onverenigbare posities. Daar waar een “altaar” wordt gevonden, in plaats van een tafel van de Heer, een “priester” in plaats van een prediker, ceremonieën in plaats van gezonde leringen, sacramenten in plaats van verlossende genade, tradities in plaats van het geschreven Woord Gods, daar is niet de Kerk van de levende God, maar wel het verwarde, verdraaide web van de Paus. En als deze Kerk, de “hoer” uit Openbaring 17, de wereld laat weten dat de troon van de Pontifex vacant is, en dat haar kardinalen een nieuwe Paus zullen kiezen, dan geschiedt dat louter om de zetel van Satan te vullen.

“Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen van mijn mond. Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden. Want zij heeft veel gewonden neergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele. Haar huis zijn wegen van het graf, dalende naar de binnenkamers van de dood”.32[21]

Die personen of naties die zich aan de Pontifex-christus onderwerpen, kennen noch leven noch vrijheid, want enkel in de Heer Jezus Christus, de Zoon van de levende God, wordt vrijheid en eeuwig leven gevonden. Geloof in Hem en in Hem alleen “en hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis”33 [22] maar leg eerder bloot wie of wat de Pontifex-christus eigenlijk is: “de mens der zonde, de zoon des verderfs”34


Eindnoten

[1] Rooms-katholieke Catechismus, 1995, Par. 881, Nederlandse versie.

[2] Grieks Petros: rots(blok), steen. Vgl. Petroó: stenigen. (Prisma G/N). Een petros is een relatief klein stuk gesteente.

[3] Grieks petra: rots, klip; rotsblok, steen; rotsgebergte. (Prisma G/N). Een petra is massief, groot, een vast gesteente. Christus is alleen het fundament van Zijn gemeente: “Want niemand kan een ander fundament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus” (1 Kor. 3:11), hoewel ook Petrus en de andere apostelen ten aanzien van hun leer fundamenten van de gemeente kunnen genoemd worden, zoals te zien is Openb. 21:14. Vergelijk verder Jesaja 28:16, Efeziërs 2:20 en 1 Petrus 2:6.

[4] Mattheüs 16:23: “Maar Hij, Zich omkerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, satanas! gij zijt Mij een aanstoot, want gij bedenkt niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn”.

[5] Galaten 2:11-14: “En toen Petrus te Antiochië gekomen was, weerstond ik hem in het aangezicht, omdat hij te bestraffen was. Want eer sommigen van Jakobus gekomen waren, at hij mee met de heidenen; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelf af, vrezende voor hen, die uit de besnijdenis waren. En ook de andere Joden veinsden met hem; alzo dat ook Bárnabas mede afgetrokken werd door hun veinzen. Maar toen ik zag, dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van het Evangelie, zeide ik tot Petrus in aller tegenwoordigheid: Indien gij, die een Jood zijt, naar heidense wijze leeft, en niet naar Joodse wijze, waarom noodzaakt gij de heidenen naar de Joodse wijze te leven?”

[6] Bul van Paus Bonifatius VIII, Unam Sanctam, 1302: tweede alinea; en Rooms-katholieke Catechismus, 1995 (NL), par. 882 en 936.

[7] Het Concilie van Trente, 1545-1563, 25ste Zitting: the most holy Roman Pontiff en Our Most Holy Lord Pius IV. (Engelse versie).

[8] Het Concilie van Trente, 1545-1563, b.v. 6de en 9de Zitting: our most holy father (Engelse versie), en Roomskatholieke Catechismus, 1995 (NL), par. 10: De Heilige Vader, Johannes Paulus II.

[9] Weergave volgens de Rooms-katholieke Catechismus, 1995 (NL), par. 882.

[10] Bul van Paus Bonifatius VIII, Unam Sanctam, 1302, laatste zin.

[11] Johannes 1:16, 17.

[12] Johannes 1:14.

[13] Verklaring “Dominus Iesus”, 2000, Sectie 16: “Therefore, the fullness of Christ’s salvific mystery belongs also to the Church, inseparably united to her Lord … Christ and the Church can neither be confused nor separated”. 14 Rooms-katholieke Catechismus, 1995 (NL), par. 982.

[14] Wetboek van Canoniek Recht, Codex Juris Canonici, 1983, Canon 1405 §1.

[15] Johannes 18:36.

[16] Mattheüs 4:10.

[17] Deze tekst gaat eigenlijk over de komende Antichrist. Sommigen echter zien in het huidige Pausdom een vervulling van Paulus’ woorden in 2Th 2, maar men moet het als een type-vervulling te beschouwen. De beginselen van de Antichrist zijn reeds lang in de belijdende christelijke Kerk aanwezig; het is slechts nodig dat de ware gelovigen van de aarde worden opgenomen opdat “degenen die op de aarde wonen” (Op 13:14) de persoonlijke Antichrist zullen ontvangen. Over die Antichrist schreef Paulus. Uit het N.T. weten we dat de Antichrist de godsdienstige leider zal zijn van heel de afvallige Joodse en christelijke wereld (oecumene-religie). Uit het O.T. weten we dat de afvallige Joodse leider zich de titel van koning van Israël zal toe-eigenen, zoals men van een pseudo-messias (messias = gezalfde koning) kan verwachten. Zie verder op http://users.skynet.be/fa390968/Eschatologie&profetie.htm.

[18] De naar oecumene strevende Roomse kerk en haar Paus zal uitmonden in de toekomstige afvalkerk en de antichrist.

[19] Hand. 1:21-22: “Het is dan nodig, dat van de mannen, die met ons meegegaan zijn al de tijd, waarin de Heere Jezus onder ons ingegaan en uitgegaan is, beginnende van de doop van Johannes, tot de dag toe, waarop Hij van ons opgenomen is, één van hen met ons getuige worde van Zijn opstanding”. Een apostel was een getuige van Jezus’ opstanding (vgl. Hd 2:32; 4:33) . Dat gold ook voor Paulus (apostel in bredere zin dan de 12) die de Heer zag op de weg naar Damaskus (Hd 9:27; 1Kor 9:1).

[20] In geestelijke zin uiteraard.

[21] Handelingen 2:42.

[22] Lukas 22:25, 26. 24 1 Petrus 5:2, 3.